mollen bestrijden gazon mollen verjagen mollen vangen mollen voorkomen molshopen in de tuin beste mollenklem

Mollen in de tuin: herkennen, bestrijden, verjagen en voorkomen (wat werkt écht?)

Mollen bestrijden en mollen verjagen zijn voor veel tuinbezitters een terugkerend probleem. Molshopen, verzakkingen en een rommelig gazon zorgen al snel voor ergernis, terwijl het vaak onduidelijk is welke aanpak nu echt werkt. Zonder de juiste kennis loop je het risico tijd en moeite te steken in oplossingen die weinig resultaat opleveren.

In dit artikel lees je hoe mollen leven, waarom ze juist tuinen aantrekkelijk vinden en welke methodes effectief zijn om mollen te bestrijden, vangen of verjagen. Daarbij staan we kort stil bij het verschil met woelratten, zodat je zeker weet dat je het juiste dier aanpakt en gericht kunt ingrijpen voor blijvend resultaat in je tuin.

Navigeer direct naar het onderwerp waar je meer over wilt weten:

Schade door mollen herkennen 

Schade door mollen in de tuin herken je meestal aan de typische molshopen en lichte verhogingen in het gazon. Deze ontstaan doordat de mol tijdens het graven de uitgewerkte grond omhoog duwt. Vaak liggen de hopen in een lijn, wat wijst op een vaste gang die net onder het maaiveld loopt.

Naast zichtbare hopen ontstaat er ondergronds schade aan de grasmat. De wortels verliezen contact met de ondergrond, waardoor het gras sneller verdroogt en los kan komen te liggen. Hierdoor voelt het gazon sponsachtig aan en zakt het plaatselijk weg als je eroverheen loopt.

Ook indirecte schade komt veel voor in tuinen. Bij het maaien wordt losse grond uit molshopen verspreid over het gras, wat het gazon dof maakt en kale plekken veroorzaakt. Bovendien kunnen verzakkingen langs paden, borders en terrassen ontstaan.

verschil tussen mollen en woelratten

Verschil tussen mollen en woelratten 

Het verschil tussen mollen en woelratten is in de tuin goed te herkennen aan het gangenstelsel. Mollen graven ronde tot ovale gangen die vaak iets dieper liggen, waarbij de uitgegraven grond als duidelijke molshopen omhoog wordt gedrukt. Deze hopen bestaan uit fijne, losse aarde en liggen vaak in een lijn, wat wijst op vaste molsgangen.

Woelratten maken juist bredere en onregelmatige gangen, meestal vlak onder of net boven het maaiveld. In plaats van molshopen zie je ingezakte stroken, openingen of losse plekken in het gazon. De gangen van woelratten zijn minder netjes en vertonen vaak vertakkingen dicht aan de oppervlakte.

Ook het voedsel en de voortplanting verschillen duidelijk. Mollen leven van regenwormen, insecten en larven en veroorzaken vooral indirecte schade door hun graafwerk. Woelratten zijn planteneters die wortels, knollen en bollen aanvreten en zich snel voortplanten. Hierdoor kan de schade door woelratten in korte tijd veel ernstiger en moeilijker te beheersen zijn dan die van mollen.

Uiterlijk, zintuigen en geheugen van de mol

Wie mollen in de tuin wil bestrijden, heeft meer succes als hij begrijpt hoe een mol leeft en reageert op zijn omgeving. Het uiterlijk, de zintuigen en het geheugen bepalen hoe de mol zich door de bodem beweegt en waarom hij zo alert is op verstoringen. Deze kennis helpt om effectiever en doelgerichter te werken.

De gewone mol (Talpa europaea) heeft een compact, cilindrisch lichaam en zeer krachtige voorpoten waarmee hij moeiteloos gangen graaft. Zijn korte staart en spitse snuit maken hem wendbaar in smalle ritten. De fluweelachtige vacht heeft geen vaste haarrichting, waardoor de mol zich zonder weerstand vooruit en achteruit kan bewegen. De vacht is meestal zwart en iets lichter aan de buikzijde.

De mol gebruikt zijn zintuigen anders dan veel andere dieren. Zicht, gehoor en reuk spelen een beperkte rol, terwijl tast en vochtwaarneming juist sterk ontwikkeld zijn. Dit verklaart waarom mollen zo gevoelig reageren op veranderingen in hun gangenstelsel:

  • Ogen: de ogen zijn zeer klein en grotendeels bedekt door de vacht. De mol kan geen details zien en onderscheidt vooral licht en donker, wat ondergronds voldoende is voor zijn leefwijze.

  • Oren: de mol heeft geen zichtbare oorschelpen en de gehoorgangen zijn afgesloten. Hierdoor komt er geen zand in het oor, maar is het gehoor beperkt en speelt het nauwelijks een rol bij oriëntatie.

  • Reukzin: Een mol kan niet goed ruiken. Geuren zoals knoflook, mottenballen of andere middelen hebben daarom weinig invloed op het gedrag van de mol.

  • Tastzin: dit is het belangrijkste zintuig van de mol. Trillingen in de bodem worden via de voorpoten en snuit uiterst nauwkeurig waargenomen, waardoor hij bewegingen en verstoringen snel detecteert.

  • Vochtwaarneming: kleine verschillen in temperatuur en luchtvochtigheid voelt de mol direct. Dit verklaart waarom hij sterk reageert op regen en veranderingen in zijn gangen, bijvoorbeeld na het plaatsen van een klem.

Naast zijn zintuigen beschikt de mol over een uitstekend geheugen. Hij herkent zijn gangenstelsel tot in detail en merkt snel wanneer er iets veranderd is. Wordt een klem eenmaal ontdekt, dan zal de mol die plek bij een volgende keer vaak vermijden. 

Het voedsel van de mol

Het graven en verplaatsen van vochtige grond kost een mol veel energie. Omdat hij nauwelijks vetreserves heeft, moet hij dagelijks voldoende voedsel vinden. Het dieet van de mol bestaat voornamelijk uit regenwormen en in mindere mate uit insecten en larven. Hij zoekt zijn voedsel vooral ondergronds, maar komt bij duisternis soms ook boven de grond.

De gangen (of ritten) die een mol graaft werken als natuurlijke valkuilen. Wormen en larven raken hierin vast en worden tijdens het aflopen van de jachtritten snel opgegeten. Regenwormen zijn extra belangrijk omdat ze voor ongeveer 95% uit water bestaan. Daarom eet een mol dagelijks ongeveer zijn eigen lichaamsgewicht aan wormen (circa 100 – 150 stuks) en besteedt hij een groot deel van zijn tijd aan voedsel zoeken.

Het voedsel van de mol bestaat voornamelijk uit:

De mol houdt geen winterslaap. In de winter trekt hij zich terug in diepere gangen waar de grond minder snel bevriest. Soms legt hij een wintervoorraad aan van honderden regenwormen. Bij lage temperaturen blijven deze wormen in leven en vers, doordat ze nauwelijks energie verbruiken en hun lichaam kunnen regenereren. Zo beschikt de mol ook in de winter over geschikt voedsel.

Het gangenstelsel van de mol

De mol kan zich opvallend snel voortbewegen en haalt in zijn gangen een snelheid tot ongeveer 8 km per uur. Door zijn lichaam samen te trekken kan hij zelfs draaien in smalle gangen. Met zijn krachtige voorpoten verplaatst hij tot 2,5 kg grond, wat neerkomt op ongeveer 25 keer zijn eigen lichaamsgewicht.

De lengte van mollengangen hangt af van het voedselaanbod: hoe rijker de bodem, hoe korter de gangen. Per dag kan een mol 10 tot 15 meter gang graven. De ritten hebben een doorsnede van circa 4 tot 5 cm en zijn rond tot ovaal van vorm. Er wordt onderscheid gemaakt tussen diepere hoofdgangen (vaak langs de rand) en ondiepe jachtgangen (verder de tuin in). Juist in deze ondiepe jachtgangen is het vangen van mollen met klemmen het meest effectief.

Een rij molshopen wijst vrijwel altijd op een diepe gang eronder. Molshopen ontstaan doordat de mol de uitgegraven grond omhoog duwt, vaak schuin, waardoor gangen op verschillende niveaus ontstaan. Deze zijn via verticale verbindingen met elkaar verbonden, wat zorgt voor ventilatie en de afvoer van regenwater. Daarnaast maakt de mol verbinding met het grondwater, dat dient als drinkwater. Open water vermijdt hij liever, al is de mol een uitstekende zwemmer.

Territorium en nestplaatsen van de mol

Elke mol heeft zijn eigen territorium, waarvan de grootte afhangt van de beschikbare hoeveelheid voedsel. Mannetjes en vrouwtjes hebben gescheiden leefgebieden. Binnen een territorium zijn hoofdgangen en jachtgangen aanwezig. Hoofdgangen liggen vaak op rustige plekken, zoals langs randen, hekwerken of onder struiken, waar de kans op instorting het kleinst is.

In grotere molshopen kan zich het nest bevinden: een ruime kamer bekleed met gras, bladeren of mos, verbonden met vaste gangen maar niet direct met jachtgangen. Grote hopen in de winter kunnen duiden op een voorraadkamer met opgeslagen regenwormen. In het voorjaar, vooral tussen april en juni, kan een grote hoop aan de perceelrand wijzen op een nestlocatie.

Het gangenstelsel vormt het territorium van de mol en wordt fel verdedigd. Toch dringen mollen soms elkaars gebied binnen. Als een territorium leegkomt, wordt dit vaak snel ingenomen door een nieuwe mol. Dit betekent dat wanneer je binnen een korte tijd een of meerdere mollen hebt gevangen nog niet 100% zeker van de overlast af bent. Binnen enkele weken of maanden kunnen er nieuwe mollen voor in de plaats komen.

Natuurlijke vijanden van de mol

Onder de grond heeft de mol geen natuurlijke vijanden, alleen zijn eigen soortgenoten. Boven de grond heeft de mol wel vijanden. Dat zijn de buizerd, blauwe reiger, ooievaar, wezel, marter, bunzing, hermelijn en de vos. Sommige honden of katten blijken ook goede vangers te zijn.

De voortplanting van de mol

Mollen leven normaal gesproken solitair en gebruiken elkaars gangen niet, behalve tijdens de paartijd. In deze periode zoeken mannetjes de gangen van de vrouwtjes op. De paartijd begint, afhankelijk van de voorjaarstemperatuur, meestal eind februari of begin maart. Na een draagtijd van ongeveer vijf weken worden de jongen geboren in april of mei.

Bij de geboorte zijn de jongen klein en kaal, met een gewicht van ongeveer 3,5 gram en een lengte van 3 tot 5 cm. Per worp worden meestal twee tot zeven jongen geboren. Ze groeien snel en wegen na 40 tot 45 dagen al circa 75 gram. Rond de zeventiende dag begint de vacht zwart te kleuren. De jongen worden vier tot vijf weken gezoogd en blijven daarna nog enkele weken bij de moeder om zelfstandig voedsel te leren zoeken.

Na ongeveer zeven weken worden de jonge mollen uit het territorium van de moeder verdreven. Eind juni bereikt de migratieperiode een hoogtepunt, waarbij veel jonge mollen bovengronds op zoek gaan naar een eigen gebied. Daarbij vallen er veel slachtoffers door roofdieren en verkeer. Gemiddeld overleeft ongeveer 40% het eerste jaar. Meestal is er één worp per jaar, al komt een tweede worp aan het einde van de zomer ook soms voor.

Wanneer zijn mollen het meest actief? 

Mollen zijn meerdere keren per dag actief, meestal twee tot drie keer per etmaal. Tijdens deze momenten lopen ze hun jachtritten af op zoek naar voedsel. Gemiddeld ligt er om de 4 à 5 uur een activiteitspiek, waarbij de mol korte, intensieve periodes graaft en jaagt.

In de praktijk zie je de meeste activiteit vaak rond het midden van de middag (ongeveer 15.00 uur) en in de vroege avond (rond 19.00 uur). Hoe actief een mol is, hangt sterk af van de hoeveelheid voedsel die hij in zijn gangen aantreft.

Bij strenge vorst is de zichtbare activiteit minimaal, omdat de mol dan leeft van zijn tijdelijke wintervoorraad. Zodra het gaat dooien, neemt de activiteit juist sterk toe. Smeltwater kan gangen laten vollopen, waardoor de mol nieuwe ritten moet graven. In deze periode verschijnen vaak ineens veel verse molshopen, wat wijst op verhoogde activiteit.

Beste manier om mollen te bestrijden 

Er zijn verschillende manieren om mollen te bestrijden, maar niet elke methode is even effectief. De juiste aanpak hangt af van de situatie, de omvang van de overlast en hoe actief de mol is in de tuin. Door de beschikbare methodes goed te begrijpen, voorkom je dat je tijd steekt in oplossingen die weinig resultaat opleveren.

De meest gebruikte manieren om mollen te bestrijden zijn:

  • Mollen vangen met klemmen
    Het plaatsen van mollenklemmen in actieve gangen is veruit de meest effectieve methode. Door gericht klemmen te plaatsten waar verse grond is boven gewerkt wordt de mol snel gedood en stopt de schade zo snel mogelijk. 

  • Mollen levend vangen
    Mollen vangen met een vangkooi lijkt diervriendelijk, maar brengt in de praktijk veel verantwoordelijkheid met zich mee. De kooi moet dagelijks, liefst meerdere keren per dag, worden gecontroleerd, omdat een mol zonder voedsel snel verzwakt. Blijft hij te lang opgesloten zitten, dan kan dit alsnog leiden tot een langzame en stressvolle dood, wat in strijd is met dierenwelzijn. Daarnaast kan het uitzetten van een gevangen mol elders opnieuw overlast veroorzaken.

  • Mollen verjagen
    Hierbij wordt gebruikgemaakt van geur-, trillings- of geluidsmiddelen. Deze kunnen mollen tijdelijk uit een deel van de tuin verdrijven, maar leiden zelden tot een blijvende oplossing omdat ze er snel aan wennen. 

  • Chemische bestrijding (alleen voor professionals)

    Alleen wanneer andere bestrijdingsmethoden geen effect hebben, wordt soms gekozen voor chemische bestrijding. Hierbij worden mollentabletten toegepast die bij contact met vocht fosforwaterstofgas vrijgeven. Deze aanpak is uitsluitend toegestaan voor professionals (zoals agrariërs & sportveldbeheerders) die daar succesvol een examen voor hebben afgelegd. Het gas is namelijk extreem giftig en vormt ernstige risico’s voor mensen, kinderen en huisdieren. Om die reden is het gebruik streng gereguleerd en niet bedoeld voor particulier gebruik.

Mollen vangen met een mollenklem

Het vangen van een mol met behulp van een mollenklem is veruit de meest effectieve manier om de overlast in de tuin snel te doen stoppen, mits je zorgvuldig te werk gaat. Een mol reageert namelijk sterk op veranderingen in zijn gangenstelsel en zal bij elk obstakel instinctief naar beneden wroeten. Daarom moeten mollenklemmen altijd diep en stabiel worden geplaatst, in een actieve gang waar de mol regelmatig langskomt.

Mollen vangen met klemmen vraagt vaak om herhaling. In één tuin kunnen meerdere mollen actief zijn en meestal is één ronde niet voldoende. De beste periode om klemmen te zetten is het najaar, vóór de voortplanting. In de winter belemmert vorst het werk en in het voorjaar is de schade vaak al aangericht.

Verwacht bij het vangen van mollen met klemmen nooit dat elke klem succes heeft. Mollen zijn slimme en oplettende dieren, waardoor het heel normaal is dat van bijvoorbeeld zes geplaatste mollenklemmen er uiteindelijk maar twee daadwerkelijk een mol vangen.

Mollenklem in een molshoop plaatsen?

Bij het plaatsen van een klem is het belangrijk rustig en zorgvuldig te werk te gaan. Zet de klem nooit in de molshoop zelf, maar op een recht stuk gang tussen de hoofdgang en de molshoop. Op die plek bevindt zich meestal de jachtgang, waar de mol het meest actief is. Hierdoor vergroot je de kans op een succesvolle vangst aanzienlijk.

Verwijder losse grond uit de gang, maar graaf niet te diep en beschadig de wanden zo min mogelijk. Maak de bodem van de gang vlak, zodat de klem makkelijk af kan gaan. Staat de klem eenmaal, dek hem dan af met losse aarde, bijvoorbeeld uit een naastgelegen molshoop, zodat er geen licht of tocht in de gang komt.

Stappen voor het zetten van een mollenklem:

  • actieve molsgang voorzichtig opsporen met een spade 
  • losse grond uit de gang verwijderen
  • klem met de hand of op de knie opspannen
  • klem stevig in de gang zetten
  • klem afdekken met losse grond
  • plaats markeren met een stokje of vlaggetje

Let erop dat je een opgespannen mollenklem altijd op een veilige manier aan de zijkant vasthoudt. Zou de klem tijdens het zetten onverwacht door een trilling of beweging af gaan, dan kan dit ernstig letsel aan je vingers veroorzaken.

Mollenbestrijding vraagt dagelijkse aandacht: laat klemmen minimaal 24 uur staan en controleer ze regelmatig. Plaats klemmen alleen in actieve molsgangen, te herkennen aan verse, losse grond met een duidelijk lichtere kleur dan de omringende aarde. Vermijd doodlopende gangen en verplaats de klem als er binnen 24 uur geen vangst is naar een plek met nieuwe, frisse molshopen.

Beste soort mollenklem: welke werkt het beste?

De beste mollenklem voor gebruik in de tuin is voor veel mensen een beugelklem. Dit type klem is het meest verkochte model, en dat is niet zonder reden. Een beugelklem is eenvoudig in gebruik, betaalbaar en in de praktijk zeer betrouwbaar wanneer hij correct wordt geplaatst.

De klem wordt recht in een actieve molsgang gezet en slaat dicht zodra de mol tijdens het graven tegen de beugel aanduwt. Er bestaat daarnaast een variant met een handvat aan de bovenkant, wat het spannen en plaatsen makkelijker en veiliger maakt. 

Mollen verjagen met geluid, trillingen of geur

Mollen verjagen klinkt aantrekkelijk, omdat het een diervriendelijke manier lijkt om van overlast af te komen. In de praktijk blijkt deze aanpak echter meestal tijdelijk. Of het nu gaat om geurmiddelen, trillingstechnieken, of (ultrasone) geluidsapparaten: mollen wennen snel aan prikkels in hun leefomgeving.

In het begin maakt het ze argwanend, waardoor ze een deel van hun gangen vermijden. Na enige tijd hoort die prikkel echter bij de omgeving en keert de mol vaak gewoon terug. Dit verklaart waarom veel verjagingsmiddelen niet het gewenste resultaat leveren.

Mollen verjagen: fabels & feiten

Over mollen verjagen bestaan veel hardnekkige misverstanden. Veel middelen klinken logisch, maar sluiten slecht aan bij het gedrag en de zintuigen van de mol. Hieronder staan de bekendste fabels overzichtelijk gegroepeerd, met telkens het bijbehorende feit.

  • Geur: Het idee is dat sterke geuren (zoals knoflook, azijn, peper, visafval, uiensnippers, mottenballen of kattenbakvulling) mollen wegjagen. In werkelijkheid heeft de mol een zwak ontwikkeld reukzintuig, waardoor deze middelen geen effect hebben en de mol zijn gangen blijft gebruiken of een nieuwe graaft. 

  • Geluid en trillingen: Vreemde geluiden of trillingen, veroorzaakt door (ultrasone) apparaten, een ingegraven plastic flessen of zelfs een ingegraven muziekkaartjes, kunnen een mol in eerste instantie voorzichtig maken. Na korte tijd treedt echter gewenning op en verliest deze methode haar werking. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt bovendien dat ultrasone verjagers nauwelijks effect hebben op mollen.

  • Fysieke barrières: Het diep ingraven van kippengaas of het graven van een sloot biedt geen blijvende oplossing. Wanneer er voldoende voedsel aanwezig is, nemen mollen zelfs het risico om bovengronds om obstakels heen te gaan. Bovendien zijn mollen goede zwemmers, waardoor ook een sloot hen niet tegenhoudt.

  • Scherpe middelen: Het ingraven van scherpe voorwerpen zoals glas of scheermesjes wordt soms genoemd als manier om mollen te weren, maar dit werkt niet. Mollen beschikken over een uiterst goed ontwikkeld tastzintuig, vooral in hun voorpoten en aan de snuit. Met kleine, gevoelige haartjes voelen ze elke verandering, weerstand of onregelmatigheid in hun molsgang direct aan.

    Zodra een mol iets hards of scherps tegenkomt, zal hij niet doorzetten maar naar beneden wroeten of de gang verleggen. In plaats van te stoppen, past de mol zijn gangenstelsel eenvoudig aan en blijft hij actief in de tuin. Scherpe middelen verplaatsen het probleem dus hooguit tijdelijk.

  • Water: Het vol laten lopen van mollengangen met water heeft geen zin omdat het gangenstelsel niet waterdicht is en het water grotendeels in de bodem wegzakt. Mollen hebben meerdere gangen op verschillende niveaus en trekken zich eenvoudig terug in hogere, droge delen of graven snel nieuwe routes. Daarnaast kunnen mollen goed omgaan met natte omstandigheden en zelfs zwemmen. Het effect is daarom hooguit tijdelijk en leidt vaak tot extra graafactiviteit of meer schade aan de bodem, zonder dat de mol verdwijnt.

  • Gas: Ook het plaatsen van rookbommen of carbid werkt niet omdat mollengangen niet luchtdicht zijn en gassen snel via de poreuze bodem of andere gangen ontsnappen. De mol bevindt zich zelden in de gang waar het gas wordt ingebracht en trekt zich terug in diepere of zijgangen. Daarnaast zijn gangenstelsels vertakt en meerlagig, waardoor het gas de nestkamer meestal niet bereikt. Het resultaat is hooguit tijdelijke verstoring, geen effectieve bestrijding.

De conclusie is duidelijk: mollen verjagen met huismiddelen of apparaten levert zelden blijvend resultaat op. Snel reageren bij verse activiteit en gericht ingrijpen met behulp van een mollenklem is in de praktijk veel effectiever dan vertrouwen op deze fabels.

Mollen voorkomen in de tuin

Mollen voorkomen is vaak lastiger dan ze bestrijden, omdat mollen vooral afkomen op een bodem met veel voedsel. Tuinen met een losse, vochtige grond en veel regenwormen zijn voor mollen aantrekkelijk. Door de bodemstructuur compact te houden en verstoring te beperken, verklein je de kans dat een mol zich blijvend in je tuin vestigt.

Mollen voorkomen betekent vooral: snel handelen zodra er activiteit zichtbaar is. Hoe langer je wacht, hoe groter het gangenstelsel wordt en hoe lastiger het is om de mol effectief aan te pakken. Vroeg ingrijpen voorkomt veel schade aan het gazon.

Hoe eerder je ingrijpt, hoe kleiner de schade blijft.

  • Zet direct een klem bij verse activiteit
    Mollen vang je het snelst door meteen een klem te plaatsen in de meest actieve gang of onder een verse molshoop met losse grond.

  • Wacht niet af
    Hoe langer je niets doet, hoe groter het gangenstelsel wordt en hoe lastiger het is om de mol te vangen.

Houd er rekening mee dat geen enkele methode volledige garantie biedt. Omdat lege territoria snel opnieuw worden ingenomen, blijft mollen voorkomen vooral een kwestie van opletten, tijdig ingrijpen en het beperken van omstandigheden die mollen aantrekkelijk vinden.

Veelgestelde vragen

Een mol graaft gangen op verschillende dieptes, afhankelijk van functie en omstandigheden:

  • Oppervlakkige voedselgangen: ca. 5–20 cm onder het maaiveld
  • Hoofdgangen: gemiddeld 20–40 cm diep
  • Nestkamer: meestal 40–60 cm diep, altijd boven het grondwaterniveau

Een mol heeft geen vaste verblijfsduur in een tuin, maar blijft zolang er voldoende voedsel is. Hij gebruikt een territorium dat meerdere tuinen kan omvatten en verplaatst zich continu binnen dat gebied. Zonder effectieve bestrijding kan een mol maanden tot zelfs jaren regelmatig in dezelfde tuin actief blijven.

De hoofdgang van een mol herken je aan rechte, vaste ruggen in het gras die meerdere molshopen met elkaar verbinden en meestal dieper liggen (ca. 20–40 cm). Hoewel deze gang helpt bij het lokaliseren van het gangenstelsel, is hij niet de beste plek om een klem te zetten.

Een klem werkt het meest effectief in de jachtgang. Dit is een recht stuk oppervlakkige gang op ongeveer 1 tot 1,5 meter afstand van de hoofdgang of tussen twee molshopen in.
Daar passeert de mol het vaakst, waardoor de kans op een succesvolle vangst aanzienlijk groter is.

Nee, het dragen van handschoenen bij het zetten van een mollenklem is niet nodig. De gedachte dat mollen mensengeur ruiken of zich daardoor laten afschrikken is een fabel, aangezien mollen slecht kunnen ruiken. Dit heeft geen enkele invloed op het wel of niet vangen van de mol.

Ook interessant  Alle blogs

Voeg je koptekst hier toe

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.